Koning Arthur maakte zich zorgen omdat hij zijn vrouwelijk schoon, Koningin Quinevere alleen moest laten met al die geile ridders van de Ronde Tafel. Hij maakte zich zodanig veel zorgen datie er maagzweren van kreeg. Helaas hadden ze in de Middeleeuwen nog geen Rennies, dus ging die naar de wijze tovenaar Merlijn voor advies. Merlijn wist zich eigenlijk geen raad, maar in plaats van dat hij dit gewoon eerlijk aan Arthur vertelde, zei die “Kom volgende week maar terug”. 

Weekje later kwam Arthur terug gehuppeld naar Merlijn’s laboratorium, waar de goedheiligman wonder boven wonder toch een advies had kunnen formuleren. Merlijn toverde zo een kuisheidsgordel uit zijn mouw. Helaas was het niet zo’n propere kuisheidsgordel, dat viel zelfs Koning Arthur op. “Kifesh, kijk dan Merlijn. Er zit een groot gat in het midden, dit gaat zo niet werken Erik.” 

“Oh maar Majesteit, kijk en leer” zei Merlijn en hij grabbelde met zijn perverse handjes over zijn werkbank, zoekend naar een cilindervormig stuk gereedschap. Hij pakte het beet, alsof het een grote stevige cervelaat was en bewoog dit richting het gat. Toen de worst zijn entrée in het gat maakte, viel een klein guillotine-blad naar beneden, die het vlees in tweetjes verdeelde. 

“Merlijn jij bent me toch ook een leipe drerrie, wat een enig apparaat!” kermde de jonge Monarch uit, “nu kan ik in alle rust vertrekken, mijn koninginnetje is veilig.” 

Nadat Arthur zijn vrouwtje het apparaat had aangetrokken, begon hij aan zijn avontuur. Jaren gingen voorbij, totdat Arthur terugkeerde naar Camelot. Bij terugkomst liet hij alle ridders hun broek uitdoen, misschien wel omdat hij Guinevere toch stiekem een kech vond – dat zullen we nooit weten. Bijna alle ridders hadden een kortgewiekste jongeheer, op Galahad na. 

“Galahad” riep Arthur “jij bent de enige échte ridder. Je bent de enige die loyaal is gebleven, hoe kan ik je ooit belonen? Vertel mij hoe ik je ooit kan terugbetalen!” 

Galahad wilde wel reageren, maar was helaas letterlijk én figuurlijk sprakeloos.